horizont

mannelijk (de)/ˈhoriˌzɔnt/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. de lijn waarboven, bij vrij uitzicht zoals op zee, de hemellichamen zichtbaar zijn
    Een nieuwe dag begint wanneer de zon boven de horizont verschijnt.

Etymologie

*Afkomstig van de Oudfranse woorden orizonte en orizon.

Vertalingen

Engelshorizon
Franshorizon
DuitsHorizont
Spaanshorizonte
Poolshoryzont