horen
mannelijk (de)/hɔː.rən/
Betekenis
werkwoord
- (ov) geluid waarnemen met het oorIk vond het verbijsterend om te horen hoeveel indruk de trail destijds op deze man had gemaakt.
- (absol) thuishoren, behorenEen potje schieten hoort er voor de lokale rednecks in de woestijn kennelijk gewoon bij in het weekend."Liesbeth is een bescheiden, dankbare vrouw", vertelt Boeijen. "Een heel erg prettig iemand om mee samen te werken. Lekker eigenwijs, dat hoort ook."
zelfstandig naamwoord
- hoorn
zelfstandig naamwoord
- het gehoor, het in staat zijn om te kunnen horen
Etymologie
*Verwant in andere Indo-Europese talen:
Uitdrukkingen
- Horen, zien en zwijgen — Wegkijken van iets dat eigenlijk veroordeeld zou moeten worden, uit vrees voor negatieve gevolgen die er anders zouden kunnen zijn
- Voor wat hoort wat — Tegenover een verleende dienst moet ook een wederdienst staan
- Wie niet horen wil, moet [maar] voelen — Wie geen of onvoldoende aandacht besteedt aan hetgeen gezegd wordt, moet daar maar de gevolgen van ondervinden
Vertalingen
Engelshear
Fransentendre
Duitshören
Spaansoír, oir
Italiaanssentire, udire
Portugeesouvir, escutar
Russischслышать
Chinees听
Japans聞く
Koreaans듣다
Arabischسمع, سمع
Turksduymak, işitmek
Poolssłyszeć
Zweedshöra
Deenshøre
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek