hopen
/ˈhopə(n)/
Betekenis
werkwoord
- (ov) wensen, graag zien dat er iets wel of niet voorvaltHij hoopte dat hij zijn proefwerk had gehaald.Wat een feest om op deze manier met mijn kinderen op pad te zijn. Het maakt eigenlijk niet zoveel uit wat we doen of waar we naartoe gaan. De natuur in, de stad in, overdag of ’s nachts. Het zijn vaak korte, betaalbare uitjes. Soms bedenk ik wat en soms komen zij zelf met ideeën. Ik hoop dit een leven lang vol te houden.De enige vlakke grond was de trail zelf dus ik hoopte dat er geen vroege hiker over me heen zou vallen in de ochtend. Maar dat gebeurde wel.
Etymologie
:Noord: : hoppas, : håbe, : håpe, (: hopast)
Vertalingen
Engelshope
Fransespérer
Duitshoffen
Spaansesperar
Italiaanssperare
Portugeesesperar
Russischнадеяться
Japans希望する, 望む
Koreaans바라다, 원하다
Poolsmieć, nadzieję
Zweedshoppas
Deenshåbe
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek