hoorndrager

mannelijk (de)/ˈhorᵊnˌdraɣər/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. bedrogen echtgenoot
    Ik ben wel eens de hoorndrager geweest, maar dat raakt me niet. Het is niet diegene die bedrogen wordt die een probleem heeft, maar diegene die bedriegt.' De Standaard 15 MEI 2010 [http://www.standaard.be/cnt/glt2q7sss 'Ik heb mezelf nog nooit bedrogen']
    ‘We hebben woest wanhopig gevreeën, alsof ik haar kon behouden voor de dood’, vertelt Aristide Arosteguy, die uiteindelijk geen kannibaal maar een hoorndrager blijkt te zijn. ‘Haar lichaam veranderde. Ze had gezwellen en knopen en bobbels en uitslag. Ik moest mezelf dwingen om een ander gevoel van seksuele esthetiek te ontwikkelen. Het was noodzakelijk dat ze voor mij nog steeds mooi was, al veranderde haar lichaam per dag, per uur.' De Standaard 21 NOVEMBER 2014 Gilbert Roox [http://www.standaard.be/cnt/dmf20141120_01386737 Kannibalen, 3D-printers en kanker]
    Het is een verdomd goeie plaat, met dit keer een stel geheide klassiekers voor de concerten. Die zullen afsluiten met ‘Santé’, een song die vrolijk het glas heft op alle hoorndragers. De Standaard 13 JANUARI 2016 OM 03:00 UUR | Peter Vantyghem [http://www.standaard.be/cnt/dmf20160112_02064019 ‘Ik denk dat ik naar de psychiater moet’]

Etymologie

*, een verwijzing naar de uitdrukking in het "κέρατα ποιεῖν τινι" "iemand hoorns opzetten", in de betekenis van ‘iemand die door zijn echtgenote wordt bedrogen’ aangetroffen vanaf 1599

Vertalingen

Engelsdeceived husband, cuckold