hooizolder

mannelijk (de)

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. zolder van een schuur waarop men hooi bewaart
    Gelukkig was er op de ruime, boven de schuur en de paardenstal gelegen hooizolder langs de wanden en in de hoeken voldoende hooi te vinden.
    Hooibalen van de hooizolder - het stel heeft paarden - werden ingezet als zitplek voor de gasten. Decoratie was al besteld. De trouwambtenaar en de getuigen waren gewoon aanwezig, net als de vader van Berdien om zijn dochter weg te geven.
    Deens vriendjes op de lagere school kwamen van de boerderij. ,,De woensdagmiddag was een feestje. Laarzen en zo'n blauwe overall aan en dan helpen in de stallen, op het land of ravotten op de hooizolder. Ik vond het prachtig."