hoogseizoen

onzijdig (het)/ˈhoxsɛiˌzun/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. is de tijd waarin de meerderheid van de mensen met vakantie gaat. De periode buiten het hoogseizoen wordt het laagseizoen genoemd.
    Voor de wintersportgebieden is de winterperiode het hoogseizoen

Etymologie

* Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘drukste tijd van het jaar’ voor het eerst aangetroffen in 1962