hoogleraar

mannelijk (de)/hoxˈlerar/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. onderwijs, beroep, wetenschap (onderwijs), (beroep), (wetenschap) iemand met titel professor die aan een hogeschool of universiteit een leerstoel in een bepaald vak bekleedt en die het onderzoek en onderwijs in dit vak leidt
    Guillaume Budé nodigde hem uit in Parijs om de leiding op zich te nemen van het nieuwe humanistische college daar, kardinaal Ximenes wilde hem als hoogleraar benoemen aan de universiteit van Alcalá .
    Tegen het eind van zijn studie, in januari 1869, pas 24 jaar oud en nog niet gepromoveerd, krijgt hij de vraag om hoogleraar te worden aan de universiteit van Bazel.
    Precies 150 jaar geleden sprak Robert Fruin hier zijn oratie uit als eerste hoogleraar Vaderlandse Geschiedenis in Leiden en daarmee tegelijk als eerste hoogleraar geschiedenis in Nederland.

Vertalingen

Engelsprofessor
DuitsHochschullehrer
Spaanscatedrático