hoogheid

vrouwelijk (de)/xxxx/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. aanzien, grootheid, majesteit
  2. adel (adel) iemand die een zeer hoge adellijke rang bekleedt
    Nadat zijne hoogheid gearriveerd was kon de plechtigheid beginnen.

Etymologie

*afgeleid van hoog

Vertalingen

SpaansMajestad