hoofdvorm

mannelijk (de)/ˈhoftfɔrᵊm/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. voornaamste gedaante waarin iets voorkomt
    In het eind vorig jaar verschenen boek Martin Luther, zijn leven, zijn werk worden diens portretten onderscheiden in zeven hoofdvormen: bedelmonnik, doctor in de theologie, jonker, echtgenoot, kerkvader, oude man en overledene.
    Wij hadden de maquette bedoeld als een eerste indicatie voor de hoofdvorm. We deden daarmee nog helemaal geen uitspraak over ornamenten.
  2. muziek (muziek) bepaalde drieledige opbouw die veel wordt gebruikt in klassieke muziek
    Beethoven worstelde zo lang met de klassieke hoofdvorm, tot die (in laatste kwartetten en laatste pianosonates) voor de tijdgenoten volkomen onherkenbaar was geworden.
  3. voornaamste matrijs of sjabloon
    Onder de plaat bevindt zich een grote stalen hoofdvorm met allemaal kleine holtes. Elke holte heeft de vorm van een automatenbekertje of een melkcupje.
  4. uiterlijke opbouw van het menselijk lichaam boven de hals
    Ook is ontdekt dat mensen met bepaalde neanderthalgenen iets vaker een plattere hoofdvorm hebben, die daardoor iets meer op de rugbybalvormige neanderthalerschedel lijkt. De sapiensschedel lijkt meer op een voetbal.
    De gezichten die je samenstelt met de ‘flashface’ animatie hebben wel wat weg van opsporingsfoto’s uit het pre-computertijdperk. Selecteer een haarstijl en hoofdvorm en vul die vervolgens in met neus, ogen, oren, mond en gezichtshaar.