hoofddoek

mannelijk (de)/ˈhofduk/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een vierkante lap stof die vooral door vrouwen driehoekig samengevouwen over het hoofd gedragen wordt
    In islamitische kringen wordt het dragen van hoofddoekjes veelal als religieuze plicht gezien.
    Vanachter halfgesloten ogen zag ik een vrouw met een Schots geruite rok en een hoofddoek met gespreide armen op me afrennen. Ik besloot me niet te verzetten. Willoos liet ik me heen en weer schudden. {{Aut|Sandes, David
    Weerstand tegen verplichting hoofddoek groeit in Iran [https://www.nu.nl/buitenland/5117438/weerstand-verplichting-hoofddoek-groeit-in-iran.html www.nu.nl]

Vertalingen

Engelsheadscarf
Fransfichu
DuitsKopftuch
Spaanspañuelo de cabeza
Italiaansfoulard