honingkoek
mannelijk (de)/ˈhonɪŋˌkuk/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (kookkunst) gebak met honing als ingrediënt dat de smaak bepaaltManna, leerden de Israëlieten, die hier volgens het bijbelse verhaal langs kwamen op weg naar het beloofde land: „Het leek op korianderzaad, maar dan wit en het smaakte naar zoete honingkoek.”
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek