hondje
/ˈhɔɲcə/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (figuurlijk) (gereedschap) plank met daaronder vier kleine zwenkwielen voor het verplaatsen van zware, grote zaken, bijvoorbeeld meubelsOf verhuizen een zwaar beroep is? “Heb je wel eens een wasmachine naar zolder getild”, antwoordt Noël. De hulpmiddelen, zoals het ‘hondje’, zijn belangrijk.
Etymologie
**[2] kan verwijzen naar de oppervlakkige gelijkenis tussen verplaatsing op vier wielen of vier poten en naar het verleden waarin honden als trekdier werden gebruikt
Uitdrukkingen
- als een hondje achter iemand aan lopen — heel gehoorzaam doen wat iemand zegt
Vertalingen
Spaansperrito
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek