hondenfluit

mannelijk/vrouwelijk (de)

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een type fluit die gebruikt wordt bij het trainen van honden en katten dat een voor een mens haast onhoorbaar geluid van 16.000 Hz tot 20.000 Hz produceert
  2. politiek (politiek) een bedekte toespeling, veelal met een negatieve lading over buitenstaanders, die alleen of vooral door ingewijden wordt begrepen

Etymologie

*[2] Vertaald uit VS Engels "dog whistle", gepopulariseerd in Nederland vanaf 2017.