holoceen
onzijdig (het)/ˌholoˈsen/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (geologie) geologisch tijdperk na de laatste ijstijd, laatste tijdvak van het periode quartair, van 11.700 geleden tot nuIn het eerste, vóórhistorische gedeelte van het holoceen strekten de duinen zich vrij veel verder zeewaarts uit dan thans; maar aanzienlijke afslag deed hen evenals tegenwoordig snel afnemen.
Etymologie
*van "Holocène", naam voorgesteld in 1867 door de Franse geoloog F.L.P. Gervais; afgeleid van ὅλος (hólos) "helemaal" en καινός (kainós) "nieuw", dus: "helemaal nieuw (leven)", omdat de fossielen uit deze periode helemaal van tegenwoordige soorten afkomstig zijn;[https://books.google.nl/books?id=Ut_VBAAAQBAJ&lpg=PA93&ots=7FSpT39-G2&dq=Gervais%20%22Holoceen%22&hl=nl&pg=PA93#v=onepage&q=Gervais%20%22Holoceen%22&f=false IJstijden (2014) Amsterdam University Press, Amsterdam]; ; p. 93; geraadpleegd 2016-02-04
Vertalingen
EngelsHolocene
FransHolocène
SpaansHoloceno
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek