hofnar

mannelijk (de)/xxxx/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. geschiedenis, beroep (geschiedenis) (beroep) Een grappenmaker aan het hof van een vorst of bij een rederijkerskamer.
    Pardoes, de mascotte van pretpark De Efteling is een (hof)nar.

Etymologie

* Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘nar die koninklijk hof moet vermaken’ voor het eerst aangetroffen in 1599