hoesten
/ˈhustə(n)/
Betekenis
werkwoord
- (inerg) reflexmatige explosief uitademen bij prikkeling van de luchtwegen om deze te reinigen van slijm en vreemde voorwerpenHij was verkouden en hoestte enorm.Volgende week ga ik, denk ik, gewoon naar kantoor, we zitten daar maar met een man of vier. Maar als iemand straks hard gaat hoesten in de trein zonder zijn mond te bedekken – en dat gebeurt nogal eens – ga ik wel ergens anders zitten.
Etymologie
* "hoest" met de uitgang -en
Vertalingen
Engelscough
Franstousser
Duitshusten
Spaanstoser, toses
Russischкашлять
Deenshoste
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek