hockey
onzijdig (het)/xxxx/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (sport) balspel waarbij twee elftallen de bal met een hockeystick in elkaars doel proberen te slaanTijdens het spelen van hockey gebruikt men een gekrulde stok..
Etymologie
* Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘veldsport’ voor het eerst aangetroffen in 1892
Vertalingen
Engelshockey
DuitsHockey
Spaanshockey
Zweedshockey
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek