historie

vrouwelijk (de)/hɪsˈtori/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. verhaal
    Op 10 juli 2019 bereikt la belle fille op haar racefiets zwoegend de top. Ze zou net als haar voorgangers uit de 17de eeuw ook wel een frisse duik willen nemen, maar voorlopig volstaan gulzige slokken uit haar bidon. Een bijrolletje in de historie van La Planche is genoeg. Morgen mogen de mooie jongens.
  2. wetenschap (wetenschap) geschiedenis van een volk, een land enz
    En vanavond zou ze haar baljurk aantrekken om hand in hand met mij avonturen tegemoet te ruisen op pleinen, in stegen en langs zwarte grachten, en ravissant een eclatant verhaal toe te voegen aan de galmende historie die deze stad aan de lippen stond als wassend water.
  3. zaak, aangelegenheid

Etymologie

* via Middelnederlands "historie" van Latijn "historia", cognaat met "histoire" en "history"; in de betekenis van ‘verhaal, geschiedverhaal’ voor het eerst aangetroffen in 1240

Vertalingen

Engelsstory, history
DuitsGeschichte, Geschichte
Spaanshistoria
Deenshistorie, historie