hiel

mannelijk (de)/hil/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. anatomie (anatomie) een enigszins uitstekend deel achteraan de voet
  2. dat wat de hiel bedekt
    Ik haatte dit soort geklauter en was dolblij toen de rotswand weer overging in sneeuw waarin ik stap voor stap nieuwe treden met mijn hiel hakte.

Etymologie

* In de betekenis van ‘achterste deel van voet’ voor het eerst aangetroffen in 1285

Uitdrukkingen

  • Weggaan, vluchten.
  • Iemand heel dicht volgen.

Vertalingen

Engelsheel
Franstalon
DuitsFerse
Spaanstalón
Italiaanstallone
Portugeescalcanhar, talão
Turksökçe, topuk
Poolspięta
Zweedshäl
Deenshæl