Heuvel

mannelijk (de)/ˈhøvəl/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. geologie (geologie) verhoging in het landschap die wat lager is dan een "berg" (tot ± 500 m)
    Rome is oorspronkelijk gebouwd op zeven heuvels: Palatijn, Aventijn, Capitool, Quirinaal, Viminaal, Esquilijn en Coelius.
    Het pad slingerde langs rotsige heuvels en uitgestrekte valleien.
    Toen hij de kamer uit was, snelde ze naar het raam om hem na te kijken, terwijl hij de heuvel af liep naar het roestige hek.
  2. anatomie, seksualiteit (anatomie), (seksualiteit) "vagina", veelal in sensuele zin en/of als verkleinwoord

Etymologie

*(erfwoord), via Middelnederlands "heuvel" en "hovel" van , in de betekenis van ‘verheffing van aardbodem’ aangetroffen vanaf 901

Uitdrukkingen

  • Het gras aan de andere kant van de heuvel is altijd groenermen denkt dat anderen geen problemen hebben

Vertalingen

Engelshill
Franscolline
DuitsHügel
Spaanscolina
Italiaanscollina
Portugeescolinas
Russischхолм
Poolswzgórze
Zweedskulle, höjd
Deensbakke