hernieuwen

/hɛrˈniwə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. ov (ov) door nieuwe kracht weer nieuw maken, nieuw leven inblazen
  2. ov (ov) renoveren
  3. ov (ov) opnieuw doen, vernieuwen, weer nieuw maken
    In 781 eiste Karel de Grote dan ook dat hij naar Worms moest komen om zijn eed van trouw als vazal te hernieuwen.

Etymologie

Afleiding van nieuw en .

Vertalingen

Engelsrenew, renovate
Duitserneuern, neugestalten, erneuern