herhaling

vrouwelijk (de)/hɛrˈhalɪŋ/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. het nogmaals plaatsvinden
    Er zat een hoop herhaling in de tekst.
    Ik ga er geen gewoonte van maken om evidenties te notuleren, maar één vanzelfsprekendheid deed mij bij herhaling zoveel plezier dat ik haar niet onvermeld wil laten.
    Pierewiet. Pierewiet. Het lied met pierewiet gaat over een merel in de lente. Dat mag best, nu de lente in het jasje van de herfst is gaan wonen. Samuel heeft geregeld muziektherapie en voor woorden als pierewiet, zeker bij herhaling uitgesproken, kun je hem wakker maken. Mooie, grappige klank. De herhaling van de ie, de rollende r. Hij lacht uitbundig bij een gezongen pierewiet. Nog een keer, dat refrein. En nog eens.
  2. een aflevering van een televisieprogramma of -serie die nogmaals wordt uitgezonden

Etymologie

* van herhalen .

Vertalingen

Engelsrepetition, repeat, rerun
Fransrépétition
DuitsWiederholung
Spaansrepetición
Zweedsrepetition