herfstvakantie

vrouwelijk (de)/ˈhɛrᵊfs(t)vaˈkɑn(t)si/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een schoolvakantie die in Nederland 1 week duurt in een van de laatste twee weken van oktober
    De herfstvakantie is zeer geschikt voor culturele uitstapjes.