herfstkampioen

mannelijk (de)/ˈhɛrᵊfstˌkɑmpiˌjun/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. sport (sport) leider van het klassement op de helft van de competitie (als in principe alle ploegen een keer tegen elkaar hebben gespeeld)

Etymologie

*, omdat er in veel sporten geen competitie is tijdens de zomer en winter en de wedstrijden in eerste helft van de competitie hoofdzakelijk tijdens de herfst worden gespeeld