herfst

mannelijk (de)/ˈhɛrᵊfst/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. jaargetijde tussen zomer en winter
    In de herfst worden de dagen steeds korter.
    Pierewiet. Pierewiet. Het lied met pierewiet gaat over een merel in de lente. Dat mag best, nu de lente in het jasje van de herfst is gaan wonen. Samuel heeft geregeld muziektherapie en voor woorden als pierewiet, zeker bij herhaling uitgesproken, kun je hem wakker maken. Mooie, grappige klank. De herhaling van de ie, de rollende r. Hij lacht uitbundig bij een gezongen pierewiet. Nog een keer, dat refrein. En nog eens.
    Ondertussen was de herfst in Washington overal zichtbaar om me heen en op de heuvels zag je een lappendeken aan kleuren: rode herfstbladeren, weelderige okergele weiden, mosgroene bossen, turquoise meren en verse witte bergpieken.

Etymologie

* (erfwoord): Middelnederlands he(e)rfst, herft, ontwikkeld uit Oergermaans *harbista- ‘oogsttijd’, abstractum op -st- bij het werkwoord *harbjan- ‘plukken’ (vgl. Noors dial. herva ‘rukken’), uit Indo-Europees *kerp-, uitbreiding bij de wortel *(s)ker- ‘snijden’, waartoe ook Latijn carpere ‘plukken’, Oudgrieks karpós (καρπός) ‘boom-, veldvrucht’ en Tsjechisch čerpat ‘putten’ behoren. Evenals Nederduits Harv(e)st, Duits Herbst, Fries hjerst en Engels harvest ‘oogst’.

Uitdrukkingen

  • ook de herfst heeft zonnige dagen

Vertalingen

Engelsautumn, fall
Fransautomne
DuitsHerbst
Spaansotoño
Italiaansautunno
Portugeesoutono
Russischосень
Japans秋, あき
Koreaans가을, 추
Arabischخريف
Turkssonbahar, güz
Poolsjesień
Zweedshöst
Deensefterår