herdershond
mannelijk (de)/ˈhɛrdərsˌhɔnt/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- hond die een kudde bewaakt
- hond uit een ras dat is gefokt om kuddes te bewaken
Etymologie
* In de betekenis van ‘hondensoort’ voor het eerst aangetroffen in 1811
Vertalingen
Engelssheepdog
Fransberger, chien de berger
DuitsSchäferhund
Spaansperro pastor
Italiaanscane da pastore
Russischовчарка
Japans牧羊犬
Poolsowczarek
Zweedsfårhund
Deensfårehund
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek