herder
mannelijk (de)/'ɦɛrdər/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (beroep) (veeteelt) begeleider en bewaker, meestal van een kudde schapen of ander vee
- hondenras gefokt voor het hoeden van schapen
Etymologie
* In de betekenis van ‘hoeder van een kudde’ voor het eerst aangetroffen in 1240
Vertalingen
Engelsshepherd
Fransberger
DuitsPastor, Pfarrer, Priester
Spaanspastor
Italiaanspastore
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek