hendel
/ˈhɛndəl/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (techniek) beweegbaar handvat waarmee een apparaat wordt bediend
- vast gemonteerde handgreep
Etymologie
* Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘hefboom’ voor het eerst aangetroffen in 1852
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek