heleboel

Betekenis

telwoord
  1. een ~: veel
    Een heleboel bomen zijn door de storm omgewaaid.
    Een heleboel benzine ging in de brand in vlammen op.
    Er cirkelden een heleboel vliegen om de paarden heen dus ik zette mijn tent vijftig meter van het vuur op.
voornaamwoord
  1. de ~: alles
    Hij had de heleboel bij elkaar gelogen.

Etymologie

* In de betekenis van ‘onbepaald telwoord’ voor het eerst aangetroffen in 1785