helderheid

vrouwelijk (de)/'hɛl·dərˌhɛɪt/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. het ontbreken van strooiing van licht, een object is scherp waarneembaar
    De helderheid was op deze dag bijzonder groot en daardoor vormden de besneeuwde bergen een prachtig schouwspel.
  2. astronomie (astronomie) de intensiteit van uitgezonden licht, luminantie
    De helderheid van deze ster is aan periodieke veranderingen onderhevig.
    De schijnbare helderheid aan de hemel vertelt je dus meteen de afstand.
  3. zindelijkheid, schoonheid
  4. geestelijke gesteldheid
    Naar zijn idee heeft hij zijn verstand in de loop der jaren steeds meer scherpgesteld op een minuscuul punt, waardoor hij met absolute helderheid de volgende paar momenten ziet, en hij is erop getraind aan weinig anders te denken.
  5. van een geluid doordat de hoge tonen goed aanwezig zijn, -> verstaanbaarheid

Etymologie

*Afgeleid van helder .

Vertalingen

Engelsbrightness, brightness
Fransluminance
Spaansclaridad, nitidez, luminancia