helderheid
vrouwelijk (de)/'hɛl·dərˌhɛɪt/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- het ontbreken van strooiing van licht, een object is scherp waarneembaarDe helderheid was op deze dag bijzonder groot en daardoor vormden de besneeuwde bergen een prachtig schouwspel.
- (astronomie) de intensiteit van uitgezonden licht, luminantieDe helderheid van deze ster is aan periodieke veranderingen onderhevig.De schijnbare helderheid aan de hemel vertelt je dus meteen de afstand.
- zindelijkheid, schoonheid
- geestelijke gesteldheidNaar zijn idee heeft hij zijn verstand in de loop der jaren steeds meer scherpgesteld op een minuscuul punt, waardoor hij met absolute helderheid de volgende paar momenten ziet, en hij is erop getraind aan weinig anders te denken.
- van een geluid doordat de hoge tonen goed aanwezig zijn, -> verstaanbaarheid
Etymologie
*Afgeleid van helder .
Vertalingen
Engelsbrightness, brightness
Fransluminance
Spaansclaridad, nitidez, luminancia
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek