hek
onzijdig (het)/'hɛk/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (bouwkunde) deels open constructie om een gebied af te scheiden van de omgevingOm het veld heen liep een hek, zodat de bal niet makkelijk de weg op kon rollen.
- draaibaar deel van een omheining, het deel dat als toegang gebruikt wordtDe opzichter ontsluit het ijzeren hek, dat het station Eismeer van de steile, naakte rotswand scheidt.
- (molenaarsambacht) raamwerk van latten van een molenwiek{{ouds
- (scheepvaart) de bovenachterzijde van een schip, achterreling
Etymologie
*(erfwoord) via Middelnederlands "hecke" van Oudnederlands "hekki", als deel van toponiem aangetroffen vanaf 1025 en als woord in de betekenis van ‘rastering’ vanaf 1227
Uitdrukkingen
- De wind niet door de hekken laten waaien — Elke mogelijke gelegenheid benutten
- Als het hek van de dam is, lopen de schapen overal. — Wanneer er geen toezicht is, doet men wat men maar wil (vgl. als de kat van huis is, dansen de muizen op tafel)
- De een mag een koe stelen, de ander mag nog niet over het hek kijken. — Er wordt met twee maten gemeten, de een mag veel terwijl de ander niks of veel minder mag
- De hekken zijn verhangen. — De situatie is geheel veranderd (vgl. De bordjes zijn verhangen)
- Het hek is van de dam. — Er is geen belemmering meer, zodat iedereen nu kan doen wat hij wil (vaak in negatief opzicht)
Vertalingen
Engelsfence, gate, frame
Fransclôture, grille, châssis
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek