heilbot
mannelijk (de)/ˈhɛilbɔt/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (straalvinnigen) bepaald soort grote schol, reus onder de platvissen en consumptievis,
Etymologie
*van Middelnederlands "helibout", in de betekenis van ‘beenvis’ aangetroffen vanaf 1476
Vertalingen
Engelsheilbot, halibut
Fransflétan
DuitsHeilbutt
Spaanshalibut, fletán
Italiaansippoglosso, halibut
Zweedshälleflundra
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek