heg

mannelijk/vrouwelijk (de)/hɛx/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een (meestal lijnvormige) aanplanting van struiken en/of bomen die dient om ruimten te scheiden

Etymologie

* In de betekenis van ‘haag’ voor het eerst aangetroffen in 1100

Vertalingen

Engelshedge
DuitsHecke
Spaanscercado, seto
Italiaanssiepe