heester
mannelijk (de)/xxxx/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- laaggroeiende, boomachtige struik
- (gewestelijk) een jonge boom (vooral eik of beuk) zonder uitgesproken stam
Etymologie
* In de betekenis van ‘struik’ voor het eerst aangetroffen in 1210
Vertalingen
Engelsbush, shrub
Spaansarbusto, mata
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek