heerschappij

vrouwelijk (de)/hersxɑˈpɛi/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. politiek (politiek) geheel der dingen waarover iemands macht zich uitstrekt, waarover hij heerst (bewind uitoefent) en het daarbij horende gezag geniet
    De partijen die drie maanden hebben gevochten om de heerschappij in de Somalische hoofdstad, Mogadishu, hebben gisternacht een wapenstilstandsakkoord getekend.Trouw, krant van donderdag 5 maart 1992 (50ste jaargang, nr. 14532), pagina 5, Buitenland, Verder "Bestand Somalië"; gehaald via [https://www.delpher.nl/nl/kranten](geraadpleegd 2021-11-23)
  2. religie (religie) de opperbestuur van god

Etymologie

* Afgeleid van heer en .

Vertalingen

Engelsreign
DuitsHerrschaft
Spaansgobierno, mando, potencia