havenstad

/ˈhavə(n)ˌstɑt/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een stad met een haven.
    Bari, een machtige havenstad, riep hem al gauw uit tot 'redder op zee'. En de Noormannen, die Bari in bezit hadden, brachten hun verering voor de 'schutspatroon aller zeelieden' over naar Noord-Europa.