hars
/ɦɑrs/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (plantkunde) het stroeve en plakkerige product van boomsappen, met name van naaldbomenAls ze de stammen te veel verwarmden, zodat er kokend sap en hars naar buiten begon te dringen, werden de houtvezels te zacht en konden ze de bouten niet meer vastzetten, het was alsof je schroeven in een spons drukte.
- (scheikunde) een klasse van polymerisatieproducten van terpenen, met name α- en β-pineen, zoals aanwezig in [1]
- (scheikunde) een klasse van kunstmatige polymeren met vergelijkbare eigenschappen als [2]
Etymologie
*Van Middelnederlands hars, harse, harst. Buiten Middelhoogduits en Oudsaksisch zijn er geen verwante woorden bekend. Het woord is mogelijk een substraatwoord.
Vertalingen
Engelsresin
Fransrésine
DuitsHarz
Spaansresina
Italiaansresina
Poolsżywica
Deensharpiks
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek