harpuizen

Betekenis

werkwoord
  1. met harpuis bestrijken van een scheepswand of sluisdeur
    'Ik ga de jol ook harpuizen.
    Perk had zijn jolletje aan de kade voor het huis gemeerd en na het breeuwen en harpuizen van de winter marlde hij nu een nieuw zeil
    '`Korvijnagels! Ik heb hem helemaal opgeknapt, breeuwen, harpuizen, bruineren, enzovoorts, et cetera.

Etymologie

* afleiding van harpuis