harmonica
vrouwelijk (de)/hɑrˈmoniˌka/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (muziekinstrument) een trekharmonicaVoor zijn verjaardag kreeg hij een nieuwe harmonica.
- (muziekinstrument) een mondharmonicaDie man speelde de hele dag op zijn harmonica.
- een zigzagvormig verbindingsstukKun je mij die harmonica even aangeven?
Etymologie
* Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘toetsinstrument’ voor het eerst aangetroffen in 1824
Vertalingen
Engelsharmonica
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek