Haren
/ˈharə(n)/
Betekenis
werkwoord
- (intr) haar verliezenWat is de hond weer aan het haren
- (ov) (landbouw) een zeis of zicht scherpen (met een haarhamer en haarspit)
Etymologie
* In de betekenis van ‘een zeis scherpen’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1343
Uitdrukkingen
- iemand in de haren vliegen — iemand aanvallen
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek