Haren

/ˈharə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. intr (intr) haar verliezen
    Wat is de hond weer aan het haren
  2. ov, landbouw (ov) (landbouw) een zeis of zicht scherpen (met een haarhamer en haarspit)

Etymologie

* In de betekenis van ‘een zeis scherpen’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1343

Uitdrukkingen

  • iemand in de haren vliegeniemand aanvallen