hanteren

/hɑnˈterə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. ov (ov) gebruiken (met name met de handen)
    De jongen hanteerde het mes als een ware kok.
    Een pen hanteren kan voor sommige mensen lastig zijn.
  2. ov, figuurlijk (ov) (figuurlijk) ermee omgaan
    De chef kon hun kritiek niet goed hanteren.

Etymologie

* Afgeleid van het Franse hanter (12e eeuw) met betekenis 'omgaan met', dat weer afkomstig is van het Germaans,