handkracht
mannelijk/vrouwelijk (de)
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- de mens als krachtsbron voor een toestel of apparaat
- de knijpkracht van de handJohn Brigham, ex-marinier en vuurwapeninstructeur, koos Starling uit om ten overstaan van alle leerlingen haar handkracht te testen door haar in zestig seconden zo vaak mogelijk de trekker van een .
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek