halvezool

mannelijk/vrouwelijk (de)/ˌhɑlvəˈzol/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. stuk leer of rubber dat alleen onder het voorste deel van de schoen bevestigd wordt (als gedeeltelijk herstel)In het Surinaams-Nederlands gebruikt voor elke versteviging onder de schoenzool.

Etymologie

**[2] mogelijk verbasterd uit (Brits) Engels "arsehole", oorspronkelijk gebezigd door havenarbeiders.