halvezool
mannelijk/vrouwelijk (de)/ˌhɑlvəˈzol/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- stuk leer of rubber dat alleen onder het voorste deel van de schoen bevestigd wordt (als gedeeltelijk herstel)In het Surinaams-Nederlands gebruikt voor elke versteviging onder de schoenzool.
Etymologie
**[2] mogelijk verbasterd uit (Brits) Engels "arsehole", oorspronkelijk gebezigd door havenarbeiders.
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek