halte

vrouwelijk (de)/ˈhɑɫtə/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een plaats waar gestopt wordt
    Na een korte halte gingen we verder met de reis.
  2. een plaats waar een bus of tram stopt
    Omdat hij vlak naast een halte woont, gaat hij vaak met de bus.
    We waren natuurlijk te laat en kwamen op het idee om te gaan zwartrijden in de trein vanuit Igelboda, het waren toch maar twee haltes voor Johan en drie voor mij.
  3. rustpunt
    Hoewel deze terugkeer naar de kou en de duisternis een nuttige halte in zijn leven was geworden, stond zijn trein in het station voor onderhoud en om na te denken.

Etymologie

*afgeleid van het Franse halte [https://fr.wiktionary.org/wiki/halte Wiktionnaire]

Vertalingen

Engelsstop, bus stop
Franshalte, arrêt, arrêt d'autobus
DuitsHaltestelle, Bushaltestelle
Spaansparada, parada de autobús
Poolsprzystanek