hal

onzijdig (het)/hɑl/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. ruimte achter de voordeur
    ' Alfonso keek langs Harold heen de donkere hal in.
  2. een entreeruimte in een gebouw of huis, een ontvangstruimte
    Ik herinner me de sensatie toen ik de trap af liep in dat lichte en zonnige huis waar alles nieuw rook, uitkijkend op de hal met de gele en donkerrode plavuizen, waar zachtgeel geschilderde deuren op uitkwamen.
  3. een grote overdekte ruimte gericht op het uitvoeren van activiteiten
zelfstandig naamwoord
  1. hardheid van de grond tengevolge van de vorst, plek bevroren grond, hardbevroren aardkorst

Etymologie

*[B] Afkomstig uit het Noordnederlands; ontwikkeld uit Oergermaans *hala-, bij Indo-Europees *ḱolh₁-o-, vgl. Litouws pašolỹs ‘nachtvorst’. Evenals Oudhoogduits hāli ‘glad’, Oudengels hālstān ‘kristal’ en Oudnoords háll ‘glad, glibberig’.

Vertalingen

Engelshall, entrance hall, hall
Fransgélisol
DuitsDiele, Eingangshalle, Flur
Spaansvestíbulo, sala, mercado