haken
/ˈhakə(n)/
Betekenis
werkwoord
- (intr) met een haak vastzitten
- (intr) vast blijven hangen onder vorming van een haak (lus)mijn jas bleef aan de deur haken
- (ov) (met een haaknaald) een weefsel maken door het aanbrengen van lussenOma was een expert in haken, breien en borduren
- (ov) bevestigen d.m.v. een haak
- (verouderd) (inerg) ~ naar verlangen of streven naar't Is wijsheid, 't zijn deugden, naar welken ik haak.Laatste regel van Het vrolijk leeren, uit: Kleine gedigten voor kinderen van {{w|nl|Hieronymus van Alphen|Hieronymus van Alphen
Etymologie
*afgeleid van haak
Vertalingen
Engelshitch on, hook, hook on
Spaanshacer a ganchillo, hacer crochet, hacer ganchillo
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek