haast

mannelijk/vrouwelijk (de)/hast/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. de drang hebben om iets snel te doen
    Ik heb haast.
    Het Duitse reizen staat in het teken van de haast en de productiviteit: zo snel mogelijk van Hamburg naar München in een hard geveerde BMW, met een korte stop voor een vette hap in de Raststätte.
    Ik begrijp al die haast van tegenwoordig niet. Wij vonden 25 kilometer per dag al prima, terwijl jullie nu ruim 40 kilometer per dag doorjakkeren.

Etymologie

* Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘bijwoord van hoedanigheid: bijna, weldra’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1401

Vertalingen

Engelshurry, haste, rush
Franshâte, presque
DuitsEile, Hast, fast
Spaansprisa, casi
Italiaansquasi
Portugeesquase
Russischпочти
Chinees幾乎, 几乎
Japansほとんど
Koreaans거의
Zweedsnästan