haas

mannelijk (de)/has/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. haasachtigen (haasachtigen) benaming voor dier uit het geslacht , met lange achterpoten, een gespleten lip en lange oren
  2. (Nederland, België) (Europese haas)
    Er zat een haas in het veld.
  3. voeding , (voeding) een malse magere spier onder de lenden van slachtdieren
    Biefstuk van de haas.
  4. sport, figuurlijk (sport) (figuurlijk) deelnemer die in het eerste deel van een race bewust een hogere snelheid aanhoudt dan hij kan volhouden, zodat het tempo van de race gunstiger is voor een of meer betere deelnemers

Etymologie

*(erfwoord) via Middelnederlands "haas" / "hase" van Oudnederlands "haso", in de betekenis van ‘haasachtige’ aangetroffen vanaf 1240

Uitdrukkingen

  • Als een haasHeel snel
  • Het haasje zijnSlachtoffer zijn, opgejaagd worden
  • Weten hoe de hazen lopenWeten hoe het er ergens aan toegaat
  • Zijn naam is haasHij doet alsof hij van niets weet
  • Wat de vos niet weet, weet de haas ook nietJe kunt niet iets weten wat je nooit is verteld
  • Je weet nooit hoe een koe een haas vangtVoor een ogenschijnlijk onoplosbaar probleem bestaat misschien toch een oplossing
  • Veel honden zijn der hazen doodTegen een overmacht legt men het af
  • Oude hazen kennen de stroppenDoor ervaring wordt men wijzer

Vertalingen

Engelshare, tenderloin
Franslièvre
DuitsHase
Spaansliebre
Italiaanslepre
Portugeeslebre
Russischзаяц
Japans野兎
Turkstavşan
Poolszając
Zweedshare
Deenshare