haal
mannelijk (de)/hal/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- een heftige beweging met de gehele arm of pootDe kat gaf hem een haal in zijn gezicht.
- een onbeheerste streep met potlood of penDe leraar zette een grote haal door de spelfout.
Uitdrukkingen
- Met iets aan de haal gaan — Iets inpikken er dan mee vandoor gaan; iets exclusief voor zichzelf kapen
Vertalingen
Engelsstreak, stroke
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek