gymkana

mannelijk (de)/ɣɪmˈkana/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. sport (sport) behendigheidswedstrijd voor ruiters of motorrijders in de vorm van een hindernisbaan of een reeks gevarieerde opdrachten
    "(…) De kleintjes gaan dan niet mee, die hebben gymkana." Gym-tvat? "Dat is een spelletjesdag. Dan doen ze slalom, aardappelrace of stoelendans." Toch niet met paarden? "Ja zeker wel! Dat is juist hartstikke leuk. Dan zet je stoelen neer, de paarden lopen eromheen, met de ruiters erop natuurlijk en als de muziek ophoudt, moet je van je paard afspringen en met je paard aan de hand op een stoel gaan zitten."
    Bijzonder aantrekkelijk was ook de z.g. gymkana, behendigheidswedstrijden op scooters van de Vespa Scooterclub, waarbij resp. mej. M. v. d. Hoorn (beker) en de heer D. Scholma (beker) als eersten uit de wedrit met hindernissen kwamen.
    Te Spa zullen op 14 en 21 Augustus de "Gymkana-races" worden gehouden.

Etymologie

*van "gymkhana", dat weer teruggaat op "गेंदख़ाना" (gendkhānā) "baan voor balspel"; in de betekenis "behendigheidswedstrijd voor ruiters" voor het eerst aangetroffen in 1892 (zie vindplaats hieronder)